Vandaag is het zover. Het onvermijdelijke. Die rit naar het zuiden. Die rit waarbij alles veranderd.
Al snel doemen de eerste dorpjes op. Door de eindeloze bossen bereiken we weer een “grote” stad. Sveg. Die met die enorme houten beer. De grootste ter wereld. Dan door Orsa, de voorpost van Mora. Mora. De scheiding tussen asfalt en gruss, tussen een ICA en een ICA Nära, tussen drukte en rust, tussen stilte en gedoe. Mora ligt een beetje op een denkbeeldige grens in Zweden. Helemaal zelf bedacht hoor, maar als je Mora één keer voorbij bent, richting Noord of Zuid dan veranderd er iets.
Maar goed, we passeren Mora en Johannisholm. Vanersbro en dan komen we aan in Filipstad. Dit stadje slaapt op zondag. We doen boodschapjes en dan kruipen we onder de luifel met wat hapjes en een borrel. De aangekondigde regen is verlaat. In plaats van half 7 begint het pas om half 9.
Ik merk dat ik een hechting kwijt ben bovenop mijn hand en besluit om de rest er dan ook maar uit te pieren. Met een multitool en een pincet. Wonderbaarlijk hoe die hand genezen is in het tijdsbestek van een week. Het was een pijnlijke, dikke, opgezwollen tros bananen met hechtingen, pleisters en verband. Nu is het weer een gewone hand met wat gevoelige wondjes.
Chili con carne met nacho’s en verschillende dips zijn ons deel voor het avondeten. We lummelen ons wat door de meegebrachte boeken en kruipen vroeg onder de wol.
Morgen nog een kleine 300 kilometer naar onze “hometown away from home”, Vetlanda. De terugreis is niks meer of minder dan een klassieker.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten